Exit taalkundige uitleg

exit1Enige maanden geleden wees het hof Arnhem-Leeuwarden (30 augustus 2016; ECLI:NL:GHARL:2016:6966) een arrest over uitleg van een koopoptie in een huurovereenkomst. De uitspraak is de moeite van het bespreken waard, vanwege een daarin gebezigde term die verband houdt met een veelvoorkomend misverstand dat dikwijls het denken over contractsuitleg (b)lijkt te vertroebelen. Het misverstand komt neer op de gedachte dat er in het kader van contractsuitleg zoiets zou bestaan als “taalkundige uitleg”. Het hof oordeelde:

“4.6. Het hof volgt niet de uitleg die [appellant] aan artikel 4.11 geeft en overweegt daartoe het volgende. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de bewoordingen “de huurder heeft het recht om over vijf jaar na heden het gehuurde te kopen tegen een waarde van 10x de dan geldende huurwaarde op jaarbasis” wijzen in de richting van een onvoorwaardelijke koopoptie na verloop van vijf jaar. Dat geldt temeer wanneer deze bepaling in samenhang wordt bezien met de tweede alinea van artikel 4.11, waarin is bepaald dat dat “indien verhuurder gedurende de looptijd van de huurovereenkomst het registergoed wenst te verkopen, hij verplicht is het gehuurde eerst te koop aan te bieden aan huurder tegen een verkoopprijs van 10x de dan geldende huurwaarde op jaarbasis”. Die bewoordingen wijzen in de richting van een voorkeursrecht of recht van eerste koop in geval van eerdere verkoop. Indien, zoals door [appellant] wordt betoogd, tussen partijen zowel vóór als ná vijf jaar enkel een voorkeursrecht zou gelden, valt niet goed te begrijpen waarom partijen voor de situatie na vijf jaar een andere formulering hebben gehanteerd dan voor de voorafgaande periode. Het onderscheid tussen de eerste en tweede alinea van artikel 4.11 heeft in de door [appellant] voorgestane uitleg dan geen toegevoegde waarde en [appellant] heeft daar verder ook geen verklaring voor gegeven.

Een taalkundige uitleg van artikel 4.11 leidt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat aan Bobo een onvoorwaardelijke koopoptie is verleend het onroerend goed na vijf jaar van [appellant] te mogen kopen.

4.7. Het hof is niet gebleken van aanknopingspunten om af te wijken van deze taalkundige uitleg van de overeenkomst. De in dit verband door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat uit de verklaring van notaris [notaris] d.d. 31 oktober 2006 (zie rechtsoverweging 2.19) blijkt dat [appellant] enkel beoogd heeft om een voorkeursrecht en geen koopoptie aan Bobo te verstrekken, is onvoldoende. Niet gebleken noch anderszins aannemelijk gemaakt is dat deze bedoeling door [appellant] kenbaar is gemaakt aan Bobo, laat staan dat Bobo dezelfde intenties had. De brief van Bobo van 28 maart 2006 (zie rechtsoverweging 2.15) waarnaar [appellant] nog heeft verwezen, maakt dit niet anders. Het hof is (wederom met de rechtbank) van oordeel dat de inhoud van die brief evenzeer kan worden begrepen in de zin die Bobo heeft aangevoerd, namelijk dat Bobo met de betreffende brief bij [appellant] heeft aangegeven dat zij gebruik wenste te maken van de koopoptie.”

Wat gaat hier fout? Met de uitleg die het hof aan het litigieuze beding geeft lijkt zo te zien niets mis te zijn. Het is het woord “taalkundig” dat hier niet op zijn plaats is. De uitleg die het hof hier hanteert is namelijk niet een taalkundige, maar een normatieve en gebaseerd op redelijkheidszin en contextualiteit. Neem bijvoorbeeld de overweging rond de samenhang tussen de verschillende alinea’s van het betreffende beding. Dit interpreteren van een zin of passage in de context van de overige tekst van het interpretandum heeft met taalkundige interpretatie weinig uit te staan, maar alles met de redelijkheidszin die de interpretator aan de dag moet leggen bij het ‘aangrijpen’ van een tekst die ter interpretatie voor hem ligt. De hermeneutisch geschoolde rechter is zich ervan bewust dat hij daarbij steeds heen en weer pendelt tussen het te interpreteren woord, zin(sdeel) of beding en de gehele tekst van de overeenkomst. Bij dit heen en weer pendelen tussen delen en gehelen (ook wel bekend staand als het concept van de hermeneutische cirkel of de “Zirkelstruktur des Verstehens”), ondergaat zijn oordeel een voortdurende bijstelling en verdieping:

“(W)eil die jeweilige Bedeutung des Wortes erst aus dem Sinnzusammenhang des Textes, dieser aber endgültig erst aus der – hier zutreffenden – Bedeutung der ihn bildenden Wörter und Wortzusammensetzungen zu entnehmen ist, muss der Interpret (…) bei den einzelnen Worten schon auf den von ihm erwarteten Sinn des Satzes und des Textes im ganzen voraus -, von diesem aus aber wenigstens dann, wenn sich Zweifel einstellen, auf die von ihm zunächst angenommene Wortbedeutung zurückblicken und gegebenenfalls entweder diese oder sein weiteres Textverständnis so lange berichtigen, bis sich eine durchgehende Übereinstimmung ergeben hat.  Dabei hat er die erwähnten „hermeneutisch bedeutsamen Umstande“ zur Kontrolle und als Auslegungshilfen heranzuziehen“ (Larenz, Methodenlehre 1991, p. 206).

De hermeneutisch geschoolde rechter is zich er echter terdege van bewust dat dit “Verstehensproces” nimmer een zuiver tekstuele analyse behelst, maar dat de te interpreteren tekst steeds in verbinding staat tot een – uit het leven gegrepen – geval, waarbij levende mensen met reële belangen, wensen, motieven en omstandigheden betrokken zijn. Om die reden zal hij zich in het kader van zijn “Verstehensproces” steeds mede hebben te verdiepen in het (intersubjectieve) referentiekader van de partijen, tussen wie het uitleggeschil is gerezen. Dat referentiekader – dat hij uit de door partijen ten processe aangevoerde feiten en omstandigheden kan leren kennen – vormt een belangrijk deel van de “hermeneutisch bedeutsamen Umstände” die de rechter nodig heeft om diep in de betekenis van een hem voorgelegde contractstekst te kunnen doordringen. De rechter zal zich bij het uitleggen daarvan daarom noodzakelijkerwijs in de positie van partijen moeten verdiepen en verplaatsen. Ook dat heeft het hof in casu gedaan, getuige het onderzoek naar de feiten en omstandigheden rondom het contract, waarvan in r.o. 4.7 verslag wordt gedaan. Op de wijze waarop het hof dit doet, valt (voor een buitenstaander, zoals ik) weinig af te dingen; met taalkundige uitleg heeft het echter allemaal niets van doen. Leerde Dooyeweerd ons niet reeds lang geleden (in zijn bespreking van Van Dunné’s proefschrift) al dat het bij juridische interpretatie steeds gaat om de “vaststelling van de rechtsbetekenis der handeling die nimmer tot de taalkundige betekenis van haar eventueel schriftelijke formulering is te herleiden”? Het wordt tijd om afscheid te nemen van deze term die in een normatieve wetenschap als het (contracten)recht niet thuishoort.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *