Monthly Archives: mei 2016

De onopzegbare duurovereenkomst

downloadZoals bekend heeft de Hoge Raad enige jaren geleden in het arrest De Ronde Venen/Stedin (HR 28 oktober 2011, NJ 2012, 685) duidelijk gemaakt dat opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarin omtrent opzegging daarvan niets geregeld is, “in beginsel” mogelijk is.  Onlangs werd het leerstuk van de opzegging van duurovereenkomsten verrijkt met een nieuw arrest van de Hoge Raad. In HR 15 april 2016, RvdW 2016, 520 (Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam) oordeelde deze dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn. De Hoge Raad gaf tevens aan dat een overeengekomen niet-opzegbaarheid onverlet laat dat de wederpartij van degene die op de niet-opzegbaarheid een beroep doet, zich onder omstandigheden kan beroepen op de maatstaven van art. 6:248 lid 2 BW of die van art. 6:258 BW.

De uitspraak van de Hoge Raad valt m.i. goed in te passen in de jurisprudentiële lijn die met het arrest De Ronde Venen/Stedin enige jaren geleden op het gebied van de opzegging van duurovereenkomsten door ons hoogste rechtscollege is ingezet. Genoemd arrest maakt namelijk duidelijk dat het primair de contractspartijen zelf zijn, die het in hun macht hebben een regeling te treffen over de al dan niet opzegbaarheid van hun overeenkomst:

“(…) Of en, zo ja, onder welke voorwaarden zo’n overeenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.”

Uit deze in het arrest gebruikte formulering (“Of (…) zo’n overeenkomst opzegbaar is…”) kon derhalve ten tijde van het wijzen van De Ronde Venen/Stedin al (door de oplettende lezer) worden afgeleid dat ook naar opvatting van de Hoge Raad uitleg van een duurovereenkomst soms tot de conclusie kan voeren dat deze blijkens de bedoelingen van partijen niet-opzegbaar is. Op dit punt biedt het arrest Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam m.i. geen nieuwe inzichten.

Als zo’n beding van niet-opzegbaarheid daadwerkelijk tussen partijen is overeengekomen, is er sprake van een overeenkomst, waarin de opzegbaarheid daarvan niet ongeregeld is gelaten; zij is alsdan immers contractueel door partijen uitgesloten. In zo’n geval is er geen ruimte voor de jurisprudentiële regel van “in beginsel” opzegbaarheid uit het arrest De Ronde Venen/Stedin. Die regel geldt enkel indien een contractueel overeengekomen of in de wet neergelegde regeling omtrent opzegging dan wel (niet-)opzegbaarheid van de overeenkomst ontbreekt en de duurovereenkomst – bij gebreke daarvan – een leemte laat, die (door de regel uit het arrest) moet worden aangevuld. Die jurisprudentiële regel heeft derhalve, evenals de aanvullende redelijkheid en billijkheid waaruit zij voortspruit, enkel een supplementaire werking. Zij laat de mogelijkheid van partijen om een andersluidende regeling (inclusief een afspraak van niet-opzegbaarheid) te treffen steeds onverlet.

De contractsvrijheid die partijen op het gebied van de al of niet opzegbaarheid van hun duurovereenkomst toekomt, laat echter onverlet dat redelijkheid en billijkheid de relatie tussen partijen bij een dergelijke overeenkomst mede beheersen: op een beding van niet-opzegbaarheid zal daarom niet onder alle omstandigheden een beroep kunnen worden gedaan. De centrale rol van redelijkheid en billijkheid in het contractenrecht brengt met zich dat ieder contractueel recht (dus ook het recht om op de niet-opzegbaarheid van een duurovereenkomst een beroep te doen) door deze sociaal-ethische grondnorm wordt begrensd. Een beroep op een beding van niet-opzegbaarheid kan daarom onder omstandigheden illusoir worden gemaakt met een beroep op art. 6:248 lid 2 BW dan wel, ingeval van onvoorziene omstandigheden, art. 6:258 BW. In dit kader verdient vermelding dat volgens vaste rechtspraak een beleidswijziging van de overheid (ook de Gemeente Amsterdam beriep zich in casu op een beleidswijziging, maar deed dit ter motivering van haar opzegging) onder omstandigheden een onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258 BW kan opleveren, die tot een bij rechterlijk vonnis uit te spreken beëindiging van de overeenkomst kan leiden.