Monthly Archives: april 2016

Het “voorshands” oordeel bij de uitleg van overeenkomsten

vrouwe-justitiaEnige maanden geleden wees de Hoge Raad een 81 RO uitspraak (HR 26 februari 2016, RvdW 2016, 336) inzake de uitleg van een voorovereenkomst. De conclusie van A-G Wissink voor dit arrest behandelt het fenomeen van het “voorshandse” uitlegoordeel dat de rechter aan een contract(sbepaling) kan geven.  Velen van ons associëren dit voorshandse oordeel met een tweetal veel beschreven uitspraken van de Hoge Raad, te weten de zaken PontMeyer (HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575) en Derksen/Homburg (HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576). Uit deze uitspraken volgt dat, ingeval de rechter terecht meent dat bij de uitleg van het betreffende contract een groot gewicht dient toe te komen aan de taalkundige betekenis van de in (de omstreden bepalingen van) de overeenkomst gebruikte bewoordingen, de rechter er voor mag kiezen om de door partijen aangevoerde context rondom het contract voorlopig te negeren en in een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst vooralsnog beslissend gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst.

In het arrest Lundiform/Mexx (HR 5 april 2013, NJ 2013, 214) heeft de Hoge Raad (nog eens) duidelijk gemaakt dat het door de rechter aldus negeren van de door partijen aangevoerde c.q. aan te voeren context rondom het contract enkel een voorshands karakter kan hebben, nu steeds de mogelijkheid bestaat dat buiten de tekst gelegen omstandigheden van het geval met zich brengen dat aan de bepalingen van de overeenkomst niettemin een andere dan de (meest voor hand liggende) taalkundige betekenis moet worden gegeven. Om die reden moet de partij die een andere uitleg voorstaat dan de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen suggereert, steeds tot bewijs van die uitleg worden toegelaten, indien die partij daartoe althans voldoende heeft gesteld.

De conclusie van A-G Wissink is onder meer van belang, omdat deze daarin nog eens duidelijk maakt dat de hiervoor weergegeven voorshandse benadering bij “Pontmeyer-gevallen” (lees: gevallen waarin uit de omstandigheden rondom contractssluiting duidelijk blijkt dat partijen (veelal met hulp van deskundige juristen) een grote mate van zorg aan de tekst en bewoordingen van het contract hebben besteed) door de rechter kan, maar niet hoeft te worden gehanteerd. Hij kan er – ook in “Pontmeyer-gevallen” – voor kiezen de Haviltex-maatstaf op de normale “holistische” wijze toe te passen.

Ook om een andere reden is de conclusie van Wissink aanbevolen leesvoer, namelijk waar er door hem op wordt gewezen dat de mogelijkheid van een voorshands oordeel van de rechter dat een tekstuele uitleg van de overeenkomst de bedoelingen van partijen correct weergeeft, niet beperkt hoeft te zijn tot enkel “Pontmeyer-gevallen”. Ook in  gevallen, waarin niet in een zelfde mate als aan de orde in Pontmeyer en Derksen/Homburg zorg aan de tekst en bewoordingen van het contract is besteed, kan de rechter ertoe besluiten  (zij het – anders dan bij de hiervoor weergegeven voorshandse benadering bij “Pontmeyer-gevallen” – na een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen ten aanzien van de uitleg die aan het litigieuze contract(sbeding) zou moeten worden gegeven) een voorshands oordeel over het overeengekomene te geven op basis van enkel de tekst van het contract. Ook bij afgifte van een dergelijk voorshands oordeel zal “de rechter dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs of tegenbewijs te worden toegelaten”, aldus Wissink.

Tot slot zij vermeld dat de haviltexende rechter onder omstandigheden natuurlijk ook tot een tekstuele uitleg van een contract kan komen, zonder gebruik te maken van een voorshands oordeel, namelijk in die gevallen, waarin door partijen in het uitlegdebat geen contextuele feiten en omstandigheden zijn gesteld dan wel de wel door partijen ten processe aangedragen context geheel en al relevantie ontbeert en ter zijde moet worden gesteld. Wat dan logischerwijs voor de uitleg overblijft is de tekst van het contract zelf.  Zie daarover nader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/371 en mijn eerdere blog “De onmogelijkheid van een (zuiver) taalkundige uitleg”.