“Oh, of course!”

5541621dee7f8In mijn vorige blogbericht beschreef ik dat het “inlezen” van een op redelijkheidsnoties gestoelde “implied term” in een contract naar Engels recht zo voor de hand liggend moet zijn dat voldaan wordt aan de zogeheten “objective bystander test”, zoals deze werd geformuleerd in de bekende uitspraak van MacKinnon LJ in Shirlaw v Southern Foundries [1939] 2 KB 206:

“For my part, I think that there is a test that may be at least as useful as such generalities. If I may quote from an essay which I wrote some years ago, I then said: “Prima facie that which in any contract is left to be implied and need not be expressed is something so obvious that it goes without saying; so that, if, while the parties were making their bargain, an officious bystander were to suggest some express provision for it in their agreement, they would testily suppress him with a common ‘Oh, of course!’”

Uitgangspunt in het Engelse contractenrecht is dus dat de “implied term” waarmee het contract wordt aangevuld zo vanzelfsprekend en logisch moet zijn, dat ieder weldenkend mens die het overleg en de onderhandelingen van de contracterende partijen gade zou slaan, zou kunnen bedenken (en uitspreken) dat de betreffende additionele regel van de contractuele afspraken deel zou moeten uitmaken. Ik gaf ook aan dat in ons eigen land op grond van art. 6:248 lid 1 BW de regel geldt dat een contract niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, “maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de (…) eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien”. Ik zou menen dat ook de op grond van deze aanvullende redelijkheid en billijkheid te formuleren additionele regels, die deel uitmaken van de overeenkomst van partijen, een zodanige vanzelfsprekendheid moeten hebben, dat hun gelding door (redelijke) partijen steeds als natuurlijk en begrijpelijk kan worden aanvaard. Dat de betreffende additionele regel mede de contractuele verhouding beheerst, mag dus voor weldenkende contractspartijen in de gegeven omstandigheden geen verrassing zijn. Ik licht dit toe als volgt.

De eisen van redelijkheid en billijkheid vormen een bron van ongeschreven objectief, dwingend recht. De Leidse hoogleraar Nieuwenhuis (Ieder het zijne, RM Themis 1988/2), heeft er terecht al eens op gewezen dat ongeschreven recht, om gelding te kunnen hebben, voor de justitiabelen kenbaar moet zijn. Hij gebruikt als voorbeeld de casus van het befaamde Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, NJ 1966/136): Sjouwerman, werknemer van de Coca-Cola Corporation, laat in de halfduistere gang van een Amsterdams café een kelderluik openstaan. Duchateau, bezoeker van het etablissement en op weg naar het toilet, valt daarin en loopt ernstige verwondingen op. Waarom was de handelwijze van Sjouwerman in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt? Omdat, aldus Nieuwenhuis, het voor Sjouwerman zo voor de hand liggend was om, gezien de omstandigheden, afdoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat iemand in het openstaande kelderluik zou vallen. Nieuwenhuis legt uit dat er maatschappelijke plichten zijn die vanwege hun vanzelfsprekendheid in brede zin bekendheid genieten en dus moeten worden opgevolgd:

“Het gaat om gedragingen die daarom geboden zijn, omdat daarvoor een voor de hand liggende, voor iedereen begrijpelijke reden (ratio probabilis) gegeven kan worden. Die redenen ontlenen hun verklaarbaarheid aan het feit dat een geordende samenleving vergt dat we rekening houden met de belangen van anderen. Kennis op dat terrein vloeit niet zozeer voort uit aangeboren naastenliefde, maar is vrucht van langdurige training. Een groot deel van de opvoeding van kinderen pleegt te worden besteed aan het aanleren van ‘voorzichtigheid’, het voorzien van de consequenties van bepaalde handelingen voor henzelf en voor anderen. Het verbod om plastic zakken over elkanders hoofd te trekken wint aan kracht als de mogelijke gevolgen worden onthuld. ‘Laat in de halfduistere gang van een cafe geen kelderluiken open staan’ is een gebod dat ook in ongeschreven staat behoort tot het publieke domein. Een voor de hand liggende reden voor deze plicht kan door ieder normaal ontwikkeld persoon gemakkelijk worden opgespoord.”

Voorgaande betoogtrant kan mijns inziens eveneens worden gebruikt voor contractuele plichten die door de aanvullende redelijkheid en billijkheid in het leven kunnen worden geroepen. Die plichten moeten in het licht van de kenbare gerechtvaardigde belangen van de wederpartij zo “obvious” en voor de hand liggend zijn, dat elke weldenkende contractspartij zou kunnen en moeten weten dat hij die plichten niet mag veronachtzamen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *